Welke kleur heeft jouw collega?

Robotisering in de zorg vraagt om een uitdagende vorm van samenwerking.

Robotisering is een terugkerend gespreksonderwerp als het gaat over de toekomst van werk. En helaas is dit niet altijd in positieve zin. Maar waarom eigenlijk? Robots worden gezien als bedreiging omdat de inzet van robots ten koste zou gaan van banen. En ook het ethische aspect komt steeds ter sprake: wie is er verantwoordelijk als een robot een fout maakt? Dit laatste geldt voor zelfrijdende auto’s, maar ook voor robots die in de zorg worden ingezet, bij een operatie, bij een postoperatieve screening of in het laboratorium.

In de praktijk van de ziekenhuislaboratoria blijkt dat het met het verlies van banen bij robotisering heel erg meevalt. Het werk verandert wel: er hoeft niet meer handmatig gesorteerd te worden en de tijd die wordt besteed aan het terugzoeken van monsters wordt aanzienlijk gereduceerd. Robots kunnen eindeloos dingen herhalen en maken als gaat om repetitieve taken minder fouten dan mensen.

Ook wordt veel procesdata opgeslagen en deze data kan worden gebruikt voor verdere optimalisatie van de laboratoriumtaak. Op individueel “buisniveau” wordt een robot daarmee niet per se sneller, maar als geheel wordt het proces wel veel voorspelbaarder. Uitschieters komen veel minder voor, zowel in negatieve als in positieve zin. Minder fouten, hogere betrouwbaarheid.

Maar (nog?) lang niet alle taken kunnen gerobotiseerd worden in de ziekenhuislaboratoria. Er zijn meer dan voldoende uitdagende analyses waar bij de uitvoering de tussenkomst van mensen nodig is. Ook afwijkende waarden moeten nog altijd door (menselijke) laboranten worden beoordeeld. Het werk wordt er in die zin voor de laborant wellicht juist uitdagender door. Bijkomend voordeel van de robotisering is dat er door robotisering van het standaardwerk meer tijd beschikbaar komt voor vernieuwing en ontwikkeling. Het is wel essentieel dat de mens met de techniek om kan gaan, dat de techniek up to date wordt gehouden en dat afwijkingen in de werking tijdig worden gesignaleerd en gecorrigeerd. Ook kan een robot kapot gaan. In dat geval moet de laborant niet alleen kunnen terugvallen op kennis van het handmatige proces, maar ook in staat zijn de robot te repareren.

Kortom, in ziekenhuislaboratoria worden banen niet vervangen door robotisering, enkel een deel van de taken. En daar komt ander, meer waarde toevoegend werk, voor in de plaats.

Wat kunnen we verwachten van de toekomst als het gaat om robotisering binnen de zorg?

In 1988 zei Moravec, een vooraanstaand onderzoeker op het gebied van AI : “Het is relatief eenvoudig om computers te laten presteren op volwassen niveau op intelligentietests of het spelen van dammen, en moeilijk of onmogelijk om ze de vaardigheden van een één jaar oude baby te geven als het gaat om perceptie en mobiliteit.”. 30 jaar later begint dat standpunt achterhaald te worden: er zijn inmiddels robots die zichzelf hebben leren springen, er zijn zelfrijdende auto’s en Siri en Alexa kunnen met spraak worden aangestuurd. Dus hoewel het voor veel mensen misschien onmogelijk lijkt, lijkt het een kwestie van tijd voor een robot zelfstandig een operatie uit kan voeren. Vóór dat echt mogelijk wordt, zal wel het punt van de aansprakelijkheid beslecht moeten worden.

In de zorg staat de inzet van robots voor ‘sociale’ taken nog ernstig ter discussie. Maar zeker het laboratorium, waar een groot deel van het proces verloopt zonder patiëntcontact, is een afdeling die wel geschikt is voor robotisering. We moeten daarbij op zoek blijven naar taken waar mens en robot elkaar écht aanvullen. In de acceptatie van de technologie op de werkvloer speelt daarbij ook het naar behoren werken van de technologie een grote rol. Laboranten zijn immers nog steeds niet zo opgeleid dat zij complete robots gemakkelijk kunnen ‘maken’ en ‘repareren’. In steeds meer laboratoria worden wel reeds gerobotiseerde oplossingen neergezet. Deze implementaties zijn echter lange en complexe trajecten. Mede vanwege deze complexiteit en doorlooptijd lijkt de directe toekomst te liggen bij cobots: collaboratieve robots. Dit zijn robots die niet door experts worden geprogrammeerd, maar waarbij een werknemer de robot ‘aan de hand’ neemt en door het proces leidt. Nadat de medewerker heeft gecontroleerd of de cobot de bewegingen goed uitvoert, kan deze direct aan het werk. Dat de cobot meteen aan het werk kan scheelt veel (ontwikkel)tijd en -geld, en ook worden de sterke kanten van mens en robot optimaal benut. Dit leidt hiermee direct tot meer effectiviteit in het werk en dus kostenbesparing.

Dus wellicht wordt de vraag ‘welke kleur heeft jouw collega’ over niet al te lang in nog meer ziekenhuislaboratoria een letterlijke; dan gaat het niet langer om een kleur die persoonlijkheid typeert, maar gewoon letterlijk over de kleur van je cobot.

Auteur: Marleen Baerveldt

Marleen Baerveldt is gecertificeerd Digital Transformation Manager. Als resultaatgerichte projectmanager in de zorg realiseert zij dagelijks digitale transities met impact voor zowel zorgverleners als patiënten.

Deel dit artikel op social media:

X